Voor de eerste workshop van de KNSB-themadag interviewde coördinator topschaak en talentontwikkeling Jeroen Bosch voor een ruim zestigkoppig publiek Anish Giri over diens voorbereiding op het kandidatentoernooi, waarin de Nederlander tweede werd. Anish excuseerde zich voor zijn Nederlands: “Iedereen spreekt altijd Engels tegen mij, ook in Den Haag. Om me voor vandaag voor te bereiden luisterde ik onderweg nog even naar 100% NL op de radio, maar ook daar gaat alles tegenwoordig in het Engels!” Ten overvloede: Anish’s Nederlands is nagenoeg perfect.

De voorbereiding begon min of meer nadat Anish in 2025 de Grand Swiss Open in Samarkand had gewonnen. “Dat was een mooie verrassing, maar dan moet je niet meteen intensief gaan voorbereiden, want die varianten ben je een half jaar later weer vergeten. Je begint vooral met het samenstellen van een team.” Dat team werd, zoals wel bekend, geleid door voormalig Nederlands Kampioen en grootmeester Jan Smeets. “Vroeger, in de tijden van Karpov, had je bepaalde openingsspecialisten, zoals Alexander Beliavsky voor het Spaans en Andras Adorjan voor het Grünfeld-Indisch. Als je zag dat die in iemands team zat, wist je welke openingen je kon verwachten, dus dat werd niet bekendgemaakt. Tegenwoordig speelt iedereen veel verschillende openingen, en je kunt veel uit de databanken halen. Toch blijft het wel een dingetje. Als je weet hoe groot iemands team is en wie erin zitten, voel je je zekerder. Verder wil je iemand hebben in je team die je al langer kent, iemand die weet hoe je denkt. Maar ook nieuwe input is belangrijk. Een goede combinatie van de twee is wat je wilt bereiken.” Het team bestond uit 6 of 7 mensen, wilde Anish wel verklappen, en ook dat bijvoorbeeld Erwin l’Ami een van hen was. “Dat is iemand die de big picture ziet, die weet hoe je bepaalde dingen moet aanpakken. En theoretische eindspelen heb ik ook met hem bekeken.” Er was ook een topspeler met wie hij oefende met snelschaak- en rapidpartijen.
Giri vertelde hoe een gemiddelde dag tijdens een trainingskamp eruitziet. Ontbijt en lunch werden gebracht, ’s avonds werd er gedineerd in een restaurant in het centrum van de stad (de naam blijft geheim). Na het ontbijt werden er ter opwarming schaakstudies opgelost, daarna voorbereiding achter de computer en een paar rapidpartijen tegen de sterkste aanwezige speler. Dan lunchen en daarna een wandeling en een korte pauze. “Je hebt niet echt een schema nodig van uur tot uur. Schaken is je passie, niet werk dat je niet graag doet.” Na drie uur ’s middags worden eerder gespeelde partijen bekeken, daarna dineren en de wandeling terug. “Daarna doet iedereen min of meer wat hij wil, maar ’s avonds kwam het er vaak op neer dat er ook weer eindspelstudies werden opgelost. Later op de avond zat ik dan vaak nog een tijdje achter de computer, om een beetje te evalueren. Thuis is dat de rustige tijd waarin de kinderen zijn gaan slapen, op het kamp is het de tijd dat de secondanten gaan slapen,” lachte Anish. “Voor het ontbijt ontstond er ook een soort competitie wie de beste omelet kon maken. Dat werden op een gegeven moment ook hele kunstwerken.”
Frank Tijdeman uit het publiek stelde een vraag over trainen op theoretische eindspelen. Giri bevestigde dat dat ook aandacht krijgt: “De basiseindspelen ken je wel, maar er zijn wat moeilijkere eindspelen, zoals toren en loper tegen toren, of toren en pion tegen loper, die je vaak moet herhalen omdat de motieven moeilijk te onthouden zijn. Dan heb je nog moeilijkere eindspelen, zoals twee lopers tegen paard, maar die komen eigenlijk bijna nooit voor.”
Een andere bezoeker vroeg of er bij de voorbereiding tegenwoordig nog ‘super-computers’ worden gebruikt. “Daar experimenteer je soms nog wel mee om te kijken of er verschillen zijn,” antwoordde Giri, “maar de software is tegenwoordig zo goed dat een gewone laptop met wat aanpassingen in principe voldoende is.” Na een korte technische uiteenzetting over evaluaties van ‘gewone’ en ‘super-computers’ besloot Giri met de uitspraak: “De grootste limiet aan je voorbereiding blijft je eigen geheugen.” En dat is dus uiteindelijk wat de topspeler onderscheidt van de mindere goden!
